‘De filantropie is een game changer geworden’

Filantropische fondsen worden steeds belangrijker binnen de wereld van de mondiale samenwerking – ook ontwikkelingsorganisaties weten hen vaker te vinden. Vandaag de start van een nieuwe serie interviews over ‘de ziel van de filantropie’. In de eerste aflevering: Rien van Gendt, adviseur en oud-voorzitter van de FIN. ‘Het gaat bij fondsen niet alleen om geld, maar vaker om het bedenken van oplossingen voor problemen in de samenleving. Ze willen het verschil maken.’

Toen de steenrijke Amerikaanse Leonor Helmsley in 2007 overleed, bleek ze twaalf miljoen dollar te hebben nagelaten aan haar hond Trouble. Rockefeller Philanthropy Services, waar Rien van Gendt als bestuurslid aan verbonden is, werd door Helmsleys familieleden gevraagd hoe ze daar toch nog een creatieve draai aan konden geven. ‘Je kunt natuurlijk niet zeggen dat ze gek is en je moet haar laatste wens respecteren’, zegt Van Gendt lachend. ‘Maar wat kun je doen om het geld alsnog betekenisvol te besteden?’ Het werd ten slotte een Trustfonds voor de bescherming van honden.

Deze anekdote is eigenlijk het enige excentrieke voorbeeld dat Van Gendt opwerpt, want in de rest van het gesprek gaat het juist om strategische filantropie; over filantropen en hun stichtingen die echt het verschil willen maken; over gedreven en ondernemende mensen die belangrijke nationale en mondiale thema’s over het voetlicht brengen – van het vluchtelingenvraagstuk tot het stimuleren van een geïnformeerde maatschappij.

Als iemand een goede inleiding kan geven tot de filantropie, dan is dat Rien van Gendt. In deze wereld is hij al jarenlang een spin in het web en Van Gendt was tot vorig jaar voorzitter van de FIN, de branchevereniging van filantropische fondsen in Nederland – en nog steeds adviseert hij talloze fondsen in binnen-en buitenland. Praten over de diepere betekenis van filantropie brengt bij hem een jeugdig elan naar boven. Over het voordeel, bijvoorbeeld, van filantropie ten opzichte van interventies door de overheid. ‘Een filantropisch fonds kan de troefkaart spelen en risico’s nemen. Af en toe een mislukking is niet erg. Het gaat immers om privaat geld, niet om belastinggeld.’

Ook de ziel van de filantropie is een geliefd gespreksonderwerp van Van Gendt: ‘Wat drijft je?’ vraagt hij retorisch. ‘Waarom stel je een deel van je vermogen – of je héle vermogen – buiten je beschikkingsmacht? Die vragen zijn van belang; het is volstrekt onterecht om te denken dat dit draait om belastingvoordeel. De beweegreden is eerder te vinden in een gebeurtenis in iemands leven en in wat mensen motiveert. Dat kan het verlies van een kind zijn, geloof of spiritualiteit. Het kan een diepe overtuiging zijn dat je iets behoort terug te geven aan de wereld. Het heeft ook niets te maken met publiciteit – de meeste filantropen in Nederland mijden die. Ik probeer mensen er juist van te overtuigen om soms iets méér op de voorgrond te treden, omdat ze daarmee anderen inspireren om hetzelfde te gaan doen.’

 

Lang heb ik filantropie geassocieerd met liefdadigheid. Is dat terecht?

‘In sommige landen, zoals Italië en zelfs een beetje in Nederland, is dat nog steeds het geval. Maar die wereld verandert vlug, van traditionele charitas naar strategische filantropie. Vroeger werden familiestichtingen pas opgericht na het overlijden van iemand. Dan werd het testament geopend en bleek dat een deel van de erfenis daarvoor was bestemd. Nu is dat anders: zeker de helft van de stichtingen wordt opgericht terwijl de initiatiefnemer nog in leven is. Dat wil zeggen dat de mensen die dat doen ook echt erbij betrokken zijn. Ze hebben dat geld verdiend en willen dat nu ook besteden aan filantropie.  Ze hebben daar ideeën over, zijn geëngageerd en willen niet alleen een cheque uitschrijven. Het zijn vaak ondernemers die hun geld op een ondernemende manier hebben verdiend en willen het ook op die wijze uitgeven. Ze zijn gericht op invloed en effectiviteit.

‘Een andere ontwikkeling is dat de overheid zich steeds verder terugtrekt en naar het maatschappelijk middenveld en de stichtingen kijkt om met oplossingen te komen waartoe zij zelf niet meer in staat is. Dat betekent dat filantropische organisaties steeds minder de wereld van kleine donaties worden ingetrokken, maar steeds meer in die van de grotere, vaak mondiale thema’s. Dan gaat het om de vluchtelingencrisis of de wereldwijd afnemende ruimte voor maatschappelijke organisaties, waarbij je echt moet kijken naar de diepste oorzaken en naar strategieën die werken. Het gaat bij stichtingen dus niet alleen om geld, maar veel meer om het bedenken van oplossingen voor problemen in de samenleving. Ze zijn game changers geworden, willen het verschil maken.

‘Illustratief is de ontwikkeling die de Bernard van Leer Foundation heeft doorgemaakt. Wat begon met financiering van de wip voor het kind in de speelplaats, ontwikkelde zich geleidelijk tot het financieren van de héle speelplaats. Tegenwoordig richt het zich vooral op thema’s als hoe je ontmoetingen tussen mensen en integratie kunt stimuleren. Daar is een speelplaats misschien een instrument voor. Men is veel meer bezig met strategisch ontwerpen.’

 

Kun je een aantal voorbeelden noemen van filantropen in Nederland die jou inspireren?

‘De familie Van Vliet vind ik erg goed. Die heeft op een bepaald moment een stichting opgericht, Adessium. Dit fonds pakt belangrijk thema’s op, zoals de goed geïnformeerde samenleving. En Adessium ondersteunt onderzoeksjournalistiek – het Centre for Investigative Journalism – en was betrokken bij de Panama Papers. Daarnaast is de stichting bezig met thema’s als sociale cohesie en het verduurzamen van productieketens en kijkt het naar oceanen, goud en hout.

‘Ook inspirerend vind ik G-Star Raw, het initiatief van Jos van Tilburg. Hij heeft zijn onderwerp heel strategisch gekozen. Hoe kun je sociaal ondernemerschap verbeteren in de landen waar je zelf produceert? G-Star doet dat in India, Bangladesh, China en Peru. Het mooie vind ik verder dat Van Tilburg de waarden en normen van de stichting ook vestigt in het bedrijf zelf – zodat je niet met je rechterhand problemen oplost die je linkerhand veroorzaakt. G-Star kijkt werkelijk naar de verduurzaming van de productieketen en werkt daarvoor samen met Solidaridad.

‘Een ander voorbeeld is Fred Matser. Hij is iemand die niet schenkt, maar maatschappelijk investeert. Ik heb dat principe zelf ooit geïntroduceerd bij Fonds 1818. De meeste vermogensfondsen hebben een vermogen dat wordt belegd, en de opbrengst van de belegging wordt dan charitatief besteed. Maar hoe mooi zou het zijn als je een deel van die beleggingen ook zó zou kunnen beleggen dat ze niet alleen financieel rendement hebben, maar ook maatschappelijk. Matser is heel spiritueel gedreven.’

 

Worden filantropen niet te machtig als ze taken van de overheid overnemen? De Bill and Melinda Gates Foundation, bijvoorbeeld, betaalt voor gezondheidssystemen in sommige Afrikaanse landen, maar heeft een duidelijke visie op aidsbestrijding – waarin onthouding (en niet preventie door het gebruik van voorbehoedsmiddelen) centraal staat.

‘Dat ben ik met je eens, ik vind ook dat er grenzen aan de filantropie zijn. Met een terugtrekkende overheid kijkt men snel naar stichtingen of die de oplossing kunnen aanbieden. Ik kan me niet voorstellen dat er een maatschappij zou zijn zonder overheid. Je hebt altijd een adequate staat nodig om dingen van algemeen nut te doen. Dat mag je nooit overlaten aan de willekeur van privaat geld, hoezeer de mensen die voor dat privaat geld zorgen ook varen op een goed moreel kompas. In Engeland is de Wellcome Trust, een vermogensfonds, met veertig tot vijftig miljard pond een belangrijker speler geworden op het gebied van medisch onderzoek dan de National Health Research Council. Dat betekent dat het de agenda kan bepalen; dat het aan de Wellcome Trust is of er aandacht wordt geschonken aan hepatitis B of aan een andere ziekte, terwijl daar geen democratische verantwoording over wordt afgelegd… Al is dat sòms voordelig, omdat je dan de ruimte hebt om risicovolle dingen te doen.

‘Als een stichting te groot is, wordt ze een soort quasi-overheid en dat is niet goed. De discussie over de vraag of er een optimale omvang is, heb ik daarom gestimuleerd. Moet je een fonds bij een zekere grootte niet opsplitsen? Het waardevolle van fondsen is bekend: de luis in de pels, de pluriformiteit, de innovatie. Maar er zijn grenzen.’

 

Ontwikkelingsorganisaties hebben te maken met grote bezuinigingen vanuit de overheid. Is de weg naar de filantropische fondsen al gevonden?

‘Zeker.’ Lachend: ‘Maar het werkt niet als wij alleen maar worden aangesproken als financiers die de gaten opvullen. Er zijn ontwikkelingsorganisaties die ons zien als pinautomaten; zij zoeken niet naar een inhoudelijke aansluiting en begrijpen niet dat vermogensfondsen ook een agenda hebben, doelen nastreven; men kan beter streven naar een partnerschap.’

 

Wat moeten ontwikkelingsorganisaties nu wel en niet doen, als het gaat om contact met filantropische fondsen?

‘Níet al een geheel plan uitwerken, met een lintje eromheen, en alleen nog een financier zoeken. Het werkt niet als je dat op het bureau bij een stichting legt, en zeg je: “Wilt u dit bekostigen?” Je moet je verdiepen in de missie van een stichting: niet een voorstel bij Adessium indienen, terwijl je haar DNA niet kent. Ik voer weleens gesprekken met organisaties die mij om advies vragen en dezelfde brief wilden sturen aan tien of twintig fondsen. Wat je wèl moet doen is de pendant daarvan, het zoeken naar een echt partnerschap, waarbij het om meer gaat dan alleen de financiën, waarbij je ook de inhoud bespreekt en gezamenlijke doelen stelt. Je kunt beter op één pagina een bondige samenvatting schrijven, waarin je ook duidelijk maakt waarom het idee volgens jou aansluit bij de missie van de betreffende stichting. Kijk eveneens of een fonds alleen maar subsidieert of ook bereid is sociale investeringen te doen. Je moet weten wie je tegenover je hebt. En dat is vaak níet zo.’

 

Maar eerst moet je in contact met filantropische fondsen zien te komen. Dat is niet eenvoudig: de stelregel is dat je hen niet mag benaderen, maar dat ze jóu benaderen als ze je interessant vinden.

‘Ja, dat vind ik soms een zwakte van de fondsen. Op een gegeven moment worden ze zo proactief dat ze niet meer reageren op dingen die spontaan uit de samenleving komen. Dan dreig je autistisch te worden. Ik heb bij de Bernard van Leer Foundation gezegd dat het prachtig is dat we proactief zijn, maar dat twintig procent van de bestedingen gewoon moet gaan naar voorstellen uit de maatschappij, en dat je ook altijd binnen twee weken moet reageren. De pareltjes uit ons programma kwamen vaak op die manier tot stand, dat waren projecten waar we anders nooit op zouden zijn gekomen. Een stichting moet een open opstelling bewaren, met haar oor tegen de grond en naar de samenleving toe gedraaid. Als voorzitter van de FIN heb ik een gedragscode ontwikkeld: Hoe ga je om met klanten? Mensen die jouw geld nodig hebben, neem je die wel serieus? Dan beantwoord je telefoontjes en brieven, en als je een voorstel afwijst, doe je dat beargumenteerd.’

 

Jij bent persoonlijk erg geraakt door de vluchtelingencrisis. Welke rol kan de filantropie daarbij spelen?

‘Dit is een prachtig voorbeeld over de essentie van wat vermogensfondsen kunnen doen. Ik ben sinds begin dit jaar betrokken bij de Maatschappelijke Alliantie: een alliantie van overheid, bedrijfsleven en fondsenwereld. In het bestuur zitten onder anderen oud-premier Jan-Peter Balkenende en Bernard Wientjes, voormalig voorzitter van VNO-NCW. Binnen deze alliantie ben ik verantwoordelijk voor het vluchtelingenvraagstuk en het – in samenspraak – bedenken van innovatieve oplossingen. We houden ons bezig met de integratie van vluchtelingen hier en met de oorzaken dáár.

‘Ik heb vier clusters geformuleerd en bij alle vier breng ik maatschappelijke partijen bij elkaar, om te bekijken wat we gezamenlijk kunnen doen. Het eerste cluster is aanpassing op de arbeidsmarkt: Hoe kun je vluchtelingen daar meer kansen geven? Veel Syrische vluchtelingen zitten op LinkedIn, hun competenties zijn bekend. Als de overheid belemmeringen tenietdoet en het vluchtelingen – zonder status – alvast toestaat om vrijwilligerswerk te doen, is dat een stap in de juiste richting. Ook buigen we ons over de vraag hoe je diploma’s uit de landen van herkomst ook kunt laten tellen op de Nederlandse arbeidsmarkt.

‘Sociale cohesie is het tweede cluster, dat gaat onder meer over de introductie van een “buddysysteem” binnen het onderwijs. Als derde is er traumaverwerking en geestelijke gezondheid. We haalden verschillende filantropische fondsen, de GGD, het bedrijfsleven en de Vereniging voor Kindergeneeskunde bij elkaar om proefprogramma’s te beginnen. Een van de filantropische fondsen, Augeo, heeft een werkwijze ontwikkeld voor scholen waar veel kinderen van asielzoekers zijn – die helpt de leerkrachten om te gaan met kinderen die zijn blootgesteld aan extreme stress. Inmiddels wordt ze gebruikt op elfhonderd scholen in Nederland. Er wordt steeds geschoven met die kinderen, van het ene azc naar het andere – ook dat willen we tegengaan. En we overleggen met het bedrijfsleven of het mogelijk is om al die kinderen vanaf hun aankomst een medisch paspoort te geven.

‘De beeldvorming over vluchtelingen, niet te vergeten. Dat is het vierde cluster. Ik ben in overleg met verschillende partijen, waaronder journalistieke netwerken en het ideële reclamebureau SIRE, om te kijken hoe we die beeldvorming bij kunnen stellen. Nu is de primaire gedachte vaak dat vluchtelingen een bedreiging voor ons vormen, terwijl we vergeten te kijken naar de positieve kanten van migratie. We vinden het immers allemaal normaal dat die aardige Filipijnse verpleegster op ons past in het ziekenhuis.’

 

Wat is, tot slot, jouw belangrijkste drijfveer?

‘Mij raakt de ongelijkheid in de samenleving het meest, en dat mensen vaak de neiging hebben te stigmatiseren. Zie de manier waarop Afrika decennialang is “afgeschreven”, hoe negatief erover werd gepraat. Ik richt me altijd graag op de kracht van mensen. Het zijn vaak overheden die corrupt zijn of niet functioneren, maar er zit zo enorm veel kracht in samenlevingen. Hoe kun je die verder versterken? Hoe kun je met privaat geld daaraan meewerken? Ik heb ook veel vertrouwen in de kracht van vluchtelingen, in de bijdrage die deze mensen kunnen leveren aan onze maatschappij. Bij de Berhard van Leer Foundation heb ik die filosofie ontwikkeld. Ons uitgangspunt was: iedereen heeft potentie, maar het potentieel moet je aanboren. Verander de omstandigheden en help de mensen op weg, geef ze een voorsprong.’

 

Bio

Rien van Gendt (1943) studeerde af als econoom aan de Universiteit van Amsterdam en promoveerde in 1980 op een proefschrift over consumentenpreferenties in de collectieve sector. Hij werkte onder meer bij de Oeso in Parijs en bij de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. In 1988 volgde zijn benoeming als uitvoerend directeur van de Bernard van Leer Foundation in Den Haag; in diezelfde functie trad hij in 2002 aan bij de Van Leer Group Foundation in Amstelveen. Na zijn pensionering in oktober 2007 zette hij Van Gendt Philanthropy Services op. Van Gendt zit in het bestuur van vele stichtingen, ngo’s en bedrijven, waaronder Rockefeller Philanthropy Advisors (New York), Joods Humanitair Fonds (Den Haag), European Cultural Foundation (Amsterdam), International Council on Security and Development (Londen) en Calouste Gulbenkian Foundation (Lissabon). In 2005 ontving Rien van Gendt in Amerika de Distinguished Grantmaker Award. In 2013 volgde de Europese Philanthropy Compass Prize.