Door: Marc Broere
1 september 2017

Categorieën

Tags

De afgelopen vier verantwoordelijke bewindslieden hebben met de Nederlandse ontwikkelingsorganisaties gespeeld zoals een kat dat met een gewonde vogel doet, schrijft Marc Broere. Wat moet de nieuwe minister doen om de sector uit het slop te halen?

Als de voortekenen niet bedriegen krijgen we binnen een maand een nieuw kabinet. Ik ben heel benieuwd  op wat voor manier dit kabinet onze ontwikkelingssamenwerking gaat vormgeven. Krijgen we weer een nieuwe minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking? Of misschien weer ‘gewoon’ een minister voor Ontwikkelingssamenwerking?

Een minister voor Migratie en Ontwikkelingssamenwerking wellicht? Of wordt de portefeuille weer gedegradeerd tot een staatssecretariaat? We wachten het met spanning af.

In ieder geval zal de nieuwe bewindspersoon zich moeten buigen over de vraag hoe de samenwerking met de Nederlandse ontwikkelingssector er in de toekomst uit zal zien. De strategische partnerschappen die minister Ploumen afsloot met 25 organisaties en allianties zijn bijna halverwege en het is nog allerminst zeker of dit beleidskader van ‘pleiten en beïnvloeden’ zal worden gecontinueerd. Als het aan VVD-prominent Han ten Broeke ligt bijvoorbeeld (een politicus die nadrukkelijk wordt getipt voor een ministerspost in een volgend kabinet), wordt het liever vandaag dan morgen afgeschaft.

Simpel

Tot aan de eeuwwisseling was het eigenlijk heel simpel. Er waren vier organisaties, ieder een maatschappelijke zuil vertegenwoordigend, die structureel gefinancierd werden door de Nederlandse regering: OxfamNovib, Cordaid, Icco en Hivos. Onder andere door het werk van deze organisaties, plus een aantal sterke bewindspersonen, kreeg Nederland wereldwijd een uitstekende reputatie op het terrein van ontwikkelingssamenwerking. Zowel kwantitatief als kwalitatief.

Dit oude zogeheten ‘medefinancieringsprogramma’ was volgens minister Eveline Herfkens (1998-2002) echter niet meer houdbaar, omdat Nederland steeds minder een verzuilde samenleving was geworden. Daarom werden ook Plan Nederland en Terre des Hommes toegelaten en kwam er een apart subsidiestelsel voor organisaties die in specifieke thema’s thema’s gespecialiseerd waren.

Onder haar opvolger Agnes van Ardenne (2002-2007) kwam er één medefinancieringsstelsel (MFS1) voor alle organisaties die wilden inschrijven. Hiervoor was een recordbedrag uit de begroting van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking beschikbaar. Wel werd de vrijheid van organisaties die inschreven aan banden gelegd en moesten ze zich met het deel van hun begroting dat ze van de overheid kregen (dus niet het deel dat bijvoorbeeld door donateurs werd opgebracht) plooien naar de beleidsprioriteiten van de minister. Bovendien waren ze verplicht om minimaal 25 procent van hun begroting ‘uit de markt’ halen om voor subsidie in aanmerking te komen.

Keerpunt

De regeerperiode van Agnes van Ardenne is een cruciaal keerpunt in de geschiedenis van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking. Je zou kunnen stellen dat organisaties hun rug toen niet hebben rechtgehouden in de onderhandelingen met de vaak onberekenbare en wispelturige minister. In ruil voor een enorme smak geld hebben organisaties de principiële onafhankelijkheid ten opzichte van het ministerie opgegeven. Hoewel Van Ardenne de portemonnee ruimhartig trok, gaf ze waar mogelijk en met veel dedain af op professionele ontwikkelingsorganisaties die volgens haar het contact met hun achterban waren kwijtgeraakt. Ze wilde ontwikkelingssamenwerking, zo stelde ze, ‘teruggeven aan de burger’.

Ook haar opvolger Bert Koenders (2007-2010) liet zich in scherpe woorden uit over de Nederlandse ontwikkelingssector. Hij verweet hen een ‘industrie’ te zijn geworden en wilde het aantal organisaties dat werd gefinancierd uit het medefinancieringsstelsel drastisch terugbrengen. Koenders kwam met een draak van een nieuw stelsel, MFS2, dat er vanuit ging dat ontwikkeling tot op de millimeter planbaar was. Organisaties moesten precies kunnen aangeven wat ze over laten we zeggen 2 jaar en 13 dagen bereikt zouden hebben met hun interventies in land x of land y. Dat is knap lastig als er bijvoorbeeld een oorlog uitbreekt in Mali of een natuurramp in Bangladesh plaatsvindt. Die kun je immers niet plannen. Toch schreven organisaties ondanks hun fundamentele bedenkingen tegen het nieuwe stelsel weer massaal in op MFS2.

De uitslag van wie er werd toegelaten tot MFS2 werd bekendgemaakt toen Ben Knapen (2010-2012) net een aantal weken in het gedoogkabinet met de PVV was aangesteld als staatssecretaris voor Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking. Onder Knapen begon een periode van forse bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking en de staatssecretaris benadrukte dat hij graag de N van Niet-gouvernementeel weer terug wilde zien in het werk van ontwikkelingsorganisaties. Ze waren veel te nauw aan de overheid gelieerd geraakt, vond hij.

Concurrentieslag

Toen kwam Lilianne Ploumen (2012-2017) die nog veel grotere bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking doorvoerde en de sector voor een groot deel ontzielde. MFS2 werd opgevolgd door het programma ‘Samenspraak en Tegenspraak’ voor de periode 2016-2020, waaruit maximaal 25 maatschappelijke organisaties of allianties konden worden gefinancierd. Dit nieuwe programma gold alleen nog voor activiteiten op het gebied van pleiten en beïnvloeden (lekker goedkoop! ) en is qua omvang ongeveer een halvering in vergelijking met MFS2.

Daarnaast schreef de minister steeds meer tenders uit op het gebied van haar eigen speerpunten, waarop organisaties konden meedingen en hun plannen konden insturen. Dit leidde tot een enorme concurrentieslag tussen Nederlandse ontwikkelingsorganisaties. De tenders hebben er toe geleid dat er amper nog sprake is van een sector in Nederland. Het is ieder voor zich en de collegialiteit is ver te zoeken. Organisaties vechten immers om dezelfde steeds kleiner wordende pot.

De moraal van het verhaal

Wat is nu de moraal van dit verhaal? Je kunt stellen dat er sprake is geweest van onberekenbaar bestuur van een aantal opeenvolgende regeringen richting de ontwikkelingssector. Ontwikkelingsorganisaties hebben op hun beurt zelf de fout gemaakt om met open ogen in de muizenval te trappen die oud-minister Van Ardenne voor hen had gezet. Vervolgens is er door Van Ardenne en al haar opvolgers met de sector gespeeld, zoals een kat dat met een gewonde vogel doet.

Ontwikkelingsorganisaties zijn publiekelijk beschimpt door ministers of beschuldigd van zaken die toch door de politiek zelf veroorzaakt zijn. Zo noemde Koenders de sector een ‘industrie’ en wilde hij er ‘het mes in zetten’, terwijl zijn voorganger juist een enorm aantal organisaties toeliet tot het medefinancieringsstelsel; zo verweet Knapen NGO’s dat ze teveel naar de pijpen van de Nederlandse regering dansten, terwijl Van Ardenne en later ook Koenders dat juist als voorwaarde hadden gesteld om voor subsidie in aanmerking te komen.

Deze tegenstrijdige signalen, gecombineerd met de bezuinigingen, hebben ervoor gezorgd dat een aanzienlijk deel van de Nederlandse ontwikkelingsorganisaties lamgeslagen lijkt en vooral bezig is om het eigen hoofd nog boven water te houden. Het is ronduit cynisch dat 25 organisaties en allianties momenteel geld krijgen uit het programma ‘Samenspraak en Tegenspraak’ om tegenmacht in ontwikkelingslanden te helpen organiseren, terwijl ze op geen enkele manier in staat zijn om een kritische dialoog met onze eigen minister vorm te geven, of om verzet te organiseren in de Nederlandse samenleving tegen de bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking. Of om hun stem te laten horen in het debat over vluchtelingen en racisme.

Randvoorwaarden scheppen

Ik hoop dat we een nieuwe minister  krijgen die rust en zekerheid gaat brengen voor de sector; een minister ook die de randvoorwaarden schept voor organisaties om weer op te krabbelen en om weer in hun kracht te geraken. Het nieuwe subsidiestelsel waarover het kabinet zich zal moeten buigen biedt daarvoor mogelijkheden. Mocht de toekomstige minister deze column lezen, dan hier alvast wat concrete suggesties vanuit mijn kant.

  • Ontwikkel een nieuw subsidiekader dat uitgaat van structurele en langere financiering op basis van vertrouwen.
  • Kies niet voor één strak kader waarbij alle organisaties hun aanvraag binnen het format van dat kader moeten schrijven. Ga individuele en brede partnerschappen afsluiten met organisaties, zoals dat nu bijvoorbeeld al gebeurt met het Initiatief Duurzame Handel (IDH).
  • Selecteer tussen de 30 en 50 preferred partners met wie je zulke overeenkomsten gaat afsluiten. Zorg daarbij voor een goede mix van type organisaties: dan gaat het om organisaties die uitblinken met hun activiteiten in het Zuiden, organisaties die gespecialiseerd zijn in campagnes of onderzoek, en organisaties die zich expliciet bezig houden met draagvlakversterking en mondiaal burgerschap.
  • Geef een extra beloning aan organisaties die een bijdrage leveren aan het publieke debat over mondiale vraagstukken  in Nederland of die hun achterban op een actieve en originele manier betrekken bij hun werk.
  • Doe iets aan de moordende concurrentie tussen ontwikkelingsorganisaties en leg een aantal spelregels op. Bijvoorbeeld dat je als preferred partner niet of maar heel beperkt mee mag doen aan open tenders van de overheid. En dat je niet via regio- of landenkantoren in het Zuiden de concurrentiestrijd aangaat met lokale ontwikkelingsorganisaties om fondsen.

Ik zou zeggen: nieuwe ronde, nieuwe kansen. Laat maar komen, die nieuwe minister.

 

 

Marc Broere

Marc Broere is hoofdredacteur van Vice Versa. Daarnaast is hij auteur van een aantal boeken waaronder De Bewogen Beweging -50 jaar mondiale solidariteit (met Hans Beereends), Berichten over Armoede -een journalistieke kijk op ontwikkelingssamenwerking, en Minder Hypes, Meer Hippocrates -een positieve injectie voor de ontwikkelingssector (met Ellen Mangnus).

‘Als onderzoeker kun je mensen een stem geven’

Door Selma Zijlstra | 25 september 2017

Te vaak blijven onderzoeken in de bureaulade liggen, vindt Inge Hutter, rector van het Institute for Social Studies (ISS) in Den Haag. Voor haar is een onderzoek geslaagd als het ook tot sociale verandering leidt, oftewel: research for action. Deel acht – en daarmee het slotverhaal – van de serie over wetenschap en het publiek debat, in samenwerking met NWO-Wotro.

Lees artikel

Vrijdagmiddagborrel: het afscheidscadeau van Rutte II

Door Marc Broere | 22 september 2017

Afgelopen dinsdag tijdens Prinsjesdag presenteerde het kabinet Rutte II  zijn afscheidscadeau aan Nederland op het gebied van ontwikkelingssamenwerking: het laagste budget sinds 1974. Marc Broere maakt de balans op van het mondiale beleid van dit kabinet, schrijft over hoe maatschappelijke organisaties verzuimden om een tegenstem te laten horen, en blikt vooruit naar de toekomst.

Lees artikel

Zes uitdagingen bij het evalueren volgens Howard White

Door Selma Zijlstra | 21 september 2017

Het veld van evalueren is enorm geëvolueerd, zegt de Britse evaluatiegoeroe Howard White. Desalniettemin blijven er nog heel wat uitdagingen bestaan. Hij noemt er zes.

Lees artikel