Door: Marc Broere
23 februari 2018

Categorieën

Tags

Minister Kaag wil eind februari in gesprek met de Nederlandse ontwikkelingssector naar aanleiding van de seksuele excessen bij Oxfam Great Britain. Marc Broere hoopt dat het een breder en dieper gesprek wordt dat het startpunt is van een grondige renovatie van een aantal pilaren binnen de internationale samenwerking die over de houdbaarheidsdatum heen zijn.

Afgelopen week heeft minister Kaag een brief gestuurd aan directeuren van hulp- en ontwikkelingsorganisaties in Nederland, waarin ze schrijft diep geschokt te zijn door de ‘seksuele excessen’ bij Oxfam Great Britain en eerdere misstanden bij andere organisaties. Kaag heeft binnen haar ministerie de opdracht gegeven om bestaande subsidiekaders, overeenkomsten en beschikkingen tegen het licht te houden en verder aan te scherpen voor wat betreft integriteitseisen. Ook wil ze eind februari met de Nederlandse ontwikkelingssector om de tafel om te spreken over de wijze waarop dit soort misstanden in de toekomst voorkomen wordt. Tegelijkertijd heeft VVD-Kamerlid Bente Becker een hoorzitting aangevraagd over ‘misstanden in de hulpsector.’

Het is denk ik goed dat er overleg tussen Kaag en de ontwikkelingssector plaatsvindt. Even zorgen dat de neuzen dezelfde kant op staan en elkaar scherp houden. De hoorzitting in de Tweede Kamer zou ik als NGO zijnde overigens aan me voorbij laten gaan omdat ik me afvraag of dit echt een verdiepende en objectieve hoorzitting wordt of door sommige Kamerleden meer bedoeld is als openbare geseling van de ontwikkelingssector.

Niet beperken tot seksueel wangedrag alleen

Waar ik wel voor zou willen pleiten is dit: beperk de dialoog niet tot seksueel wangedrag, maar maak er een startpunt van om het hele systeem van hoe de internationale samenwerking nu georganiseerd is eens grondig onder de loep te nemen. Seksueel misbruik is misschien wel de meest extreme uiting van een systeem dat in een aantal opzichten niet meer van deze tijd is.

In mijn vorige column schreef ik al dat ongelijkwaardigheid tussen donor en ontvanger de basis vormt van het huidige systeem van ontwikkelingssamenwerking. Het gaat om relaties tussen gevers en ontvangers, waarbij de ontvanger aan allerlei vaak onvoorspelbare voorwaarden van de gever moet voldoen om geld te krijgen. Die ongelijkwaardigheid is het afgelopen decennium alleen maar groter geworden door de strakke regelgeving en verantwoordingsdrift vanuit de donoren.

Binnen de sector van internationale samenwerking vindt enorm veel innovatie plaats, vooral als het gaat om het gebruik van nieuwe technologie. Op dit terrein is het echt een lerende en creatieve sector. Ook het idealisme en de bevlogenheid van de meeste werknemers in de sector is inspirerend. Daarnaast hebben organisaties in het Noorden en het Zuiden elkaar gevonden in het agenderen van de krimpende ruimte van het maatschappelijk middenveld wereldwijd.

Er zijn echter ook een aantal pilaren, waarop nog steeds een groot deel van de huidige praktijk van ontwikkelingssamenwerking is gebouwd, waar de sector geen afstand van wil doen omdat dit aan haar eigen belang raakt. Dit zijn echter juist die pilaren waarvan de houdbaarheidsdatum verstreken lijkt en die aan vervanging toe zijn. En die innovatie juist in de weg zitten. Laat ik er twee vandaag twee uitlichten.

Capaciteitsopbouw

Binnen ontwikkelingssamenwerking is capaciteitsopbouw nog steeds een belangrijk onderwerp. Er wordt veel aan kennisoverdracht gedaan door trainingen, cursussen, workshops en noem maar op. Of er ook voldoende vraag naar deze producten is, durf ik nog wel eens te betwijfelen. Deelnemers krijgen meestal sitting allowances, dagvergoedingen om deze trainingen te volgen. Op deze manier kunnen ontwikkelingsorganisatie aan hun eigen donoren laten zien dat hun cursussen goed bezocht worden. Het is echter maar zeer de vraag of boeren, ambtenaren of  vrouwengroepen ook naar deze trainingen zouden komen als ze daar geen vergoeding voor zouden krijgen, laat staan als ze daar zelf een klein bedrag voor zouden moeten betalen. Het gaat bovendien om een vergoeding die in de lokale context nogal aan de hoge kant is en veel hoger bijvoorbeeld dan het bedrag dat een boer misloopt door een dag niet op zijn land te werken omdat hij naar de training moet.

Bovendien heeft de ontwikkelingssector hiermee een enorme workshopcultuur gecreëerd die negatieve gevolgen kan hebben voor anderen. Een goed voorbeeld is de stad Gulu in het noorden van Oeganda. Jarenlang werd de stad en haar omgeving geterroriseerd door de terreur van de Lords Resistance Army van Joseph Kony. Nu de rust is wedergekeerd zijn er een talloze NGO’s actief die zich bezighouden met capaciteitsopbouw en die een heleboel workshops organiseren. Door de komst van deze workshops en aanwezigheid van NGO’s doen hotels goede zaken, maar zijn de kosten voor bijvoorbeeld openbaar vervoer en voedsel aanmerkelijk duurder dan in ander regionale steden in Oeganda. Lokale inwoners, die gewoon hun eigen leven leiden en niets te maken hebben met activiteiten van NGO’s, zijn hiervan de dupe. Ongewenste neveneffecten van ontwikkelingssamenwerking dus, een mooi onderwerp voor professor Dirk Jan Koch (die hierin gespecialiseerd is) en zijn studenten.

Hoewel er al jaren wordt gewezen op de negatieve bijeffecten van activiteiten in het kader van capaciteitsopbouw en het betalen van sitting allowances, is het een onderwerp dat structureel wordt gemeden binnen de ontwikkelingssector. Capaciteitsopbouw is namelijk een lucratieve business voor hulporganisaties. Het zou goed zijn als deze pilaar eens grondig tegen het licht wordt gehouden.

Directe financiering zuidelijke NGO’s

Een tweede punt dat ik wil aanstippen is dat de Nederlandse overheid nu NGO’s in het Zuiden financiert via Nederlandse NGO’s. Organisaties als OxfamNovib of Hivos krijgen geld dat zij op hun beurt weer doorsluizen naar hun partnerorganisaties. Is die tussenlaag van Nederlandse NGO’s nog wel nodig in deze tijd? Zou het ook in het kader van meer gelijkwaardige verhoudingen niet beter zijn als de overheid voortaan direct overgaat tot het financieren van zuidelijke organisaties?

Laten we eens out of the box denken en het systeem omdraaien. Neem bijvoorbeeld het subsidiekader ‘Samenspraak en Tegenspraak’, de zogeheten strategische partnerschappen waarin Nederlandse NGO’s hun collega’s in het Zuiden helpen met pleiten en beïnvloeden. Op één na (FCAM, de feministische koepelorganisatie uit Nicaragua) hebben alle partnerschappen een Nederlandse penvoerder. Het zou een enorme stap voorwaarts zijn als in een volgend subsidiekader de zuidelijke organisaties veel meer in de drivers seat zouden zitten. Stel bijvoorbeeld als regel in dat minimaal de helft van een volgend subsidiekader direct gaat naar zuidelijke NGO’s of allianties die door zuidelijke NGO’s worden aangevoerd. Dan kunnen zij ook zelf bepalen op welke manier en onder welke voorwaarden ze willen samenwerken met Nederlandse NGO’s. Nederlandse organisaties zouden dan van zuidelijke NGO’s opdrachten kunnen krijgen om bijvoorbeeld campagne te voeren rondom bepaalde thema’s, zoals belastingontduiking of de rol van ons land in de internationale wapenhandel, of om te lobbyen bij onze politici. Dan bepalen zij dus de prioriteiten en niet wij.

Initiatieven voor meer gelijkwaardigheid

Het is de afgelopen decennia al verschillende malen geprobeerd om meer gelijkwaardige verhoudingen binnen de internationale samenwerking te krijgen. Jan Pronk probeerde het met de Duurzaamheidsverdragen die Nederland afsloot met Benin, Bhutan en Costa Rica. Deze verdragen gingen uit van wederkerigheid en de  landen moesten elkaar aanspreken op onduurzaam gedrag. Toen Bhutan een gift overmaakte aan de provincie Zeeland om de Zeeuwse dorsvlegel voor uitsterven te behouden en mensen uit Costa Rica gingen demonstreren tegen de uitbreiding van Schiphol, sloeg onze Tweede Kamer op tilt en werd het principe van wederkerigheid uit het verdrag gehaald. Later trok Nederland zich helemaal terug.

Ook hebben we de stichting Andersom gehad, opgericht door kerkelijke ontwikkelingsorganisaties. Nederlandse hulporganisaties werden nu eens door mensen uit het Zuiden onder de loep genomen en geëvalueerd. De aanbevelingen zorgden voor veel commotie bij de onderzochte organisaties omdat de onderzoekers uit ontwikkelingslanden constateerden dat Nederlandse hulporganisaties welbewust een scheve beeldvorming in stand hielden. Het was daarna snel over met de stichting  Andersom.

Sjef Teunis, oud-directeur van Novib, probeerde het met El Taller, een platform voor lokale basisorganisaties uit ontwikkelingslanden en westerse ontwikkelingsorganisaties. Op het prachtige hoofdkantoor in Tunis konden mensen cursussen volgen en een sabbatical van drie maanden nemen. Ze konden dan op een gelijkwaardige manier in een rustige setting diepgaand met elkaar praten en elkaar helpen. Maar El Taller kwam uiteindelijk niet van de grond. ‘Organisaties uit het Noorden zijn niet gewend om op gelijke voet met mensen uit ontwikkelingslanden om de tafel te zitten in een gezamenlijk reflectieproces, waarbij ze allebei evenveel kunnen leren en waarin geld geen rol speelt’, concludeerde Theunis toen ik hem vlak voor zijn onverwachte dood in 1993 sprak.

Op papier is de wereld van de ontwikkelingssamenwerking misschien wel de meest politiek correcte sector ter wereld. We hebben ons vocabulaire prima op orde waarin we maar blijven benadrukken hoe belangrijk het is om ‘de stemmen uit het Zuiden’,  (raar begrip overigens) een podium te geven en om naar hen te luisteren. Maar op het moment dat die stemmen uit het Zuiden net iets te assertief worden en dingen zeggen die tegen onze belangen ingaan, snoeren we hen meteen de mond. Hier zit nu precies de basis van die ongelijkwaardigheid. Ik hoop echt dat we in het kielzog van de gesprekken over seksuele excessen (eerder uitzondering dan regel) gaan praten over die fundamentele ongelijkwaardigheid (eerder regel dan uitzondering) binnen dit huidige systeem van internationale samenwerking.

 

Marc Broere

Marc Broere is hoofdredacteur van Vice Versa. Daarnaast is hij auteur van een aantal boeken waaronder De Bewogen Beweging -50 jaar mondiale solidariteit (met Hans Beereends), Berichten over Armoede -een journalistieke kijk op ontwikkelingssamenwerking, en Minder Hypes, Meer Hippocrates -een positieve injectie voor de ontwikkelingssector (met Ellen Mangnus).

Vrijdagmiddagborrel: Migratiebeleid met lef loont

Door Marc Broere | 20 april 2018

Een gedurfd beleid op het gebied van migratie en vluchtelingen loont wel degelijk, schrijft Marc Broere in zijn Vrijdagmiddagborrel naar aanleiding van een bezoek aan Palermo. Nederlandse politici zouden zich kunnen laten inspireren door burgemeester Leoluca Orlando.

Lees artikel

Asiel bied je niet alleen

Door Vice Versa | 20 april 2018

Stop met ‘Dublin’ en verdeel asielmigranten eerlijk over Europa. En zorg dat lidstaten hun verantwoordelijkheden nemen en niet afschuiven. Dat schrijft Marthe Hesselmans van het wetenschappelijk bureau van D66 in deze opiniebijdrage.

Lees artikel

De illusie van Afrikaanse grensbewaking

Door Joris Tielens | 18 april 2018

De EU-projecten voor grensbewaking in Afrika om migratie naar Europa te verkleinen, kunnen ook de regionale mobiliteit bìnnen Afrika beperken – die vele malen groter is. Sommige experts twijfelen aan het effect van de miljardenprojecten, anderen zien grenzen ontstaan die er nooit waren. Klein onderzoek naar een nog schimmig speelveld.

Lees artikel