Door: Paul Hoebink
3 juli 2017

Categorieën

Tags

Nog nooit in de lange geschiedenis is Nederland zo hard op de vingers getikt als afgelopen week bij de zogeheten Peer Review van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking door het Development Assistance Committee (DAC). De lofprijzingen die Nederland in het verleden ontving, zijn omgeslagen in een lange serie kritische noten en lage cijfers.

Naast zijn jaarlijkse rapporten over de stand van zaken in de internationale ontwikkelingssamenwerking en zijn rapport vol cijfertjes over de geografische verdeling van financiën over ontwikkelingssamenwerking, heeft het Development Assistance Committee (DAC) van de OESO ook het altijd aardige rapport en instrument van de ‘Peer Review’. Het DAC is de plek waar de belangrijkste beslissingen over definities en stromen van ontwikkelingshulp worden genomen, zoals wat er wel en niet onder ontwikkelingssamenwerking valt. Elke vijf jaar zouden de leden van het DAC onderworpen moeten worden aan zo’n Peer Review, waar twee leden van de DAC op bezoek komen bij het donorland en op bezoek gaan naar een hulpontvangend land en geholpen door het secretariaat een rapport daarover opstellen.

Zo kreeg Nederland in 2001 nog uitgebreide lof voor zijn streven naar beleidscoherentie, zijn hoge hulpvolume, zijn inzet in internationale fora, zijn decentralisatie en het aansluiten op regeringsprogramma’s in ontwikkelingslanden. In 2006 gebeurde dat opnieuw en werd Nederland ook geprezen vanwege zijn aandacht voor kwaliteit en zijn innovatieve benadering van hulpprogramma’s. In 2011 werd weliswaar het risico gesignaleerd dat de financiering van private sector programma’s gemengd zou kunnen worden met belangen van het Nederlandse bedrijfsleven, maar verder was er toch vooral weer een rapport met achten en negens.

Daar is helemaal niets van over in het nieuwe Peer Review rapport over de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking dat net verschenen is.  Bij de vieren en vijven die Nederland nu in 2017 krijgt, gaat het echt niet alleen om de zware bezuinigingen die het PvdA-VVD kabinet op ontwikkelingssamenwerking heeft doorgevoerd. De DAC vergeet alleen nog te constateren dat geen begrotingsonderdeel zo zwaar getroffen is door bezuinigingen als ontwikkelingssamenwerking, maar constateert natuurlijk wel dat Nederland het eerste land was dat de 0,7% haalde en ook het eerste dat er weer van afstapte. Daarbij komt de constatering van het DAC dat Nederland een veel duidelijker rationale zou moeten hebben voor de toebedeling van bilaterale fondsen en daarover en over de fluctuaties in de hulp veel beter zou moeten communiceren onder andere met hulpontvangers.

Geen sturing

Eigenlijk is de andere kritiek nog veel vernietigender. Zo constateert het DAC dat bij het uitgeven van die verminderde hulp er geen standaardcriteria zijn en dat er geen sturing is over hoe de middelen worden verdeeld over de drie hoofddoelstellingen van de regeringsnota ‘Wat de wereld verdient’ (armoedebestrijding, duurzame ontwikkeling, verhoogde export van Nederlandse bedrijven). Daarbij komt dat de landenkeuze, zo schreef ik ook al eerder in deze kolommen over de nota’s van Knapen en Ploumen, niet duidelijk was geïdentificeerd, noch qua context en evenmin voor de uiteindelijke keuze.

Daar komt bij, zo constateert het DAC, dat de fondsen steeds meer vanuit Den Haag beheerd worden en dat er dus steeds minder hulp gedecentraliseerd (nog maar 10%), in overleg met de regeringen van de hulpontvangende landen, wordt besteed. De ‘Country Programmable Aid’ is in de afgelopen jaren fors gedaald en dat staat haaks op de ook door Nederland onderschreven afspraken en principes van de Global Partnership for Development Effectiveness, ook wel de ‘Parijse Agenda’ genoemd. Toen de evaluatiedienst IOB in 2008 met een analyse van de Nederlandse vooruitgang op de Verklaring van Parijs (2005) analyseerde, constateerde men met trots en niet ten onrechte, dat Nederland ‘Ahead of the Crowd’ ging. Weliswaar stond er achter die titel van het rapport een vraagteken, maar die werd weggevaagd in de tekst: Nederland liep voorop bij de afspraken tussen donorlanden en hulpontvangers dat ontwikkelingslanden de leiding moesten hebben over hun ontwikkelingsproces (ownership), dat donoren zich daaraan moesten conformeren (alignment) en dat er meer gecoördineerd en met elkaar samengewerkt moest worden (harmonization). Van voorloper is Nederland inmiddels in relatief korte tijd achterloper geworden.

Werksituatie op ministerie en ambassades

Even desastreus is de constatering dat Nederland weliswaar armoedebestrijding, de verbetering van de positie van vrouwen en het aanpakken van de gevolgen van klimaatverandering hoog in zijn vaandel heeft staan, maar dat de gevolgen daarvan voor de implementatie van het beleid ‘ongelijk’, zeg maar volstrekt onduidelijk zijn. Daar komt bij dat veel stafleden van het ministerie niet duidelijk zien hoe zij kunnen bijdragen aan de strategie en visie, waarbij de staf ook nog eens klaagt over stress en overbelasting door de bezuinigingen en omdat veel hulp via aanbestedingen loopt.

Het DAC toont zich zeer bezorgd over de werksituatie op het ministerie en ambassades, waar een ervaren generatie op het punt staat met pensioen te gaan, waar er weinig flexibiliteit is en  veel tijdelijke staf en lokale staf op de ambassades die weinig carrière mogelijkheden heeft.

Niets gedaan met evaluatieraporten

Nederland, zo schrijft het DAC, investeert zwaar in evaluatie. De Inspectie (IOB) is stevig uitgerust, heeft veel middelen, qua staf en budget, en de IOB produceert over het algemeen geen broddelwerk maar lijvige rapporten. Het DAC overschat de productie van de IOB weliswaar  schromelijk (10 tot 15 rapporten per jaar), maar merkt ook op dat de IOB in 2015 een vijfde van zijn budget kwijt raakte. Het DAC betwijfelt echter of die rapporten ook ooit worden gebruikt, of ze effect hebben op de bestedingen van middelen en het aangaan van partnerschappen. Dat zal weinig verrassend zijn voor wie de antwoorden van ministers en staatssecretarissen over de afgelopen jaren op IOB rapporten heeft gelezen (met als standaardantwoord: “De kritiek is inderdaad stevig, maar gelukkig hebben we het allemaal al enige jaren geleden veranderd”).

De zeer dure evaluaties zijn op die manier een overbodigheid. De gezamenlijke exit-evaluatie met andere donorlanden, waar Nederland zich bij nader inzien geheel niet en tegen de belofte in hield aan de aanbevelingen, mag daarbij een, ook in deze kolommen belicht, klinkend voorbeeld zijn.

De conclusie moet zijn dat een Nederlandse minister nog nooit in de lange historie van de Peer Reviews van het DAC zo hard op de vingers is getikt. De lofprijzingen die Nederland in het verleden ontving, zijn geheel omgeslagen in een lange series kritische noten en lage cijfers. Minister voor Ontwikkelingssamenwerking Ploumen, geslaagd misschien op Handel, is blijven zitten en gezakt voor het examen Ontwikkelingssamenwerking, en heeft na die stevige tik pijn aan haar vingers.

 

Paul Hoebink

Paul Hoebink is docent bij de Master in Sustainable Development Management aan de Rhein-Waal Hochschule in Kleve en voorheen hoogleraar aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Volg hem op twitter : @hoebink_paul

New York sleept olie-industrie voor de rechter wegens klimaatverandering: begin van een wereldwijde trend?

Door Dominique van de Kamp | 12 januari 2018

De stad New York spant een rechtszaak aan tegen Shell, BP, Exxon Mobil, Chevron en ConocoPhilips voor hun bijdrage aan de opwarming van de aarde. Is dit het begin van een nieuwe trend?

Lees artikel

Save the date: Het Grote Palmoliedebat

Door Vice Versa | 08 januari 2018

Je ziet of proeft het niet, maar het is overal. Het zit in onze hazelnootpasta, in onze shampoo en steeds vaker ook in onze benzinetank. Het wordt verwerkt in onze voeding, cosmetica en biobrandstoffen. We hebben het hier over palmolie. Grote stukken regenwoud worden omgehakt om plaats te maken voor de productie van palmolie. Waarom? Palmolie is een supergewas: grote opbrengst, lage kosten.

Lees artikel

Voorbij de beperking

Door Selma Zijlstra | 27 december 2017

Behandel mensen met een beperking niet langer als een aparte en zielige soort. Dat beeld is hopeloos verouderd, zegt VN-rapporteur Catalina Devandas Aguilar. Vorm de maatschappij liever om, zodat iedereen erin past. En als je mensen met een beperking als normaal onderdeel ervan beschouwt, kan ook het grootste taboe worden geslecht: dat van hun seksuele rechten. Een dag met Devandas in Den Haag.

Lees artikel