Door: Marc Broere
2 juli 2018

Categorieën

Tags

De behandeling in de Tweede Kamer van de beleidsnota ‘Investeren in perspectief’ van minister Kaag kreeg afgelopen donderdag niet de discussie en de aandacht die het verdient. Wat zijn nu de ‘grondoorzaken’ van het feit dat een goede inhoudelijke discussie over de toekomst van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid uitblijft? Marc Broere trekt een aantal lessen uit het chaotisch verlopen notaoverleg.

Het was een weinig verheffende bijeenkomst van de algemene commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking afgelopen donderdag in de Troelstrazaal van de Tweede Kamer. Het debat over de toekomst van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid werd op een onbevredigende manier afgeraffeld. Zo werd het een warme zomermiddag- en avond die alleen maar verliezers kende.

Welke lessen kunnen we nu trekken? En wat zijn de ‘grondoorzaken’ (om maar eens een populaire modieuze term te gebruiken) van het feit dat een goede inhoudelijke en verdiepende discussie over de toekomst van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid uitblijft?

Wat me in de eerste plaats opviel was de manier waarop de coalitiepartijen het overleg hadden ingestoken. Regeerakkoorden zijn vandaag de dag zo dichtgetimmerd dat er amper nog ruimte lijkt voor de vakspecialisten van de regeringspartijen om een kritische reflectie te kunnen doen en een minister uit de eigen coalitie onbevangen tegemoet te treden. Het is een ‘wij tegen zij’ geworden, de coalitie versus de anderen.

Dit is een trend die al onder het vorige kabinet van VVD en PvdA werd ingezet. In dat kabinet hadden Mark Rutte en Diederik Samsom onderwerpen met elkaar uitgeruild en was ontwikkelingssamenwerking -hoewel het een minister van PvdA huize kreeg- inhoudelijk aan de VVD toebedeeld. Met als gevolg enorme bezuinigingen en een keuze voor een neoliberaal beleid, waarbij ontwikkelingssamenwerking bovendien aan buitenlandse handel werd gekoppeld. Vanuit de PvdA-fractie viel er vervolgens ruim vier jaar lang in de Kamerdebatten over ontwikkelingssamenwerking amper een kritische noot te horen over dat beleid.

Politici die wél een dieper debat wilden over bijvoorbeeld de keuze voor het met elkaar vervlechten van hulp en handel werden systematisch door de regeringspartijen en vooral door minister Ploumen weggezet als ‘ouderwets’ en ‘niet meer van deze tijd’. Net zoals afgelopen donderdag vooral coalitiepartij de ChristenUnie er alles aan deed om Isabelle Diks van GroenLinks weg te zetten als iemand die niets geeft om het lot van migranten, alleen maar omdat ze de ‘obsessie met migratie’ in de beleidsnota op een kritische manier aan de orde wilde stellen.

Waar is de tijd gebleven van het dualisme, van de lastige vakspecialisten in de Tweede Kamer die ook een pittig gesprek met een minister uit de eigen coalitie durven aan te gaan? Op ontwikkelingssamenwerking en buitenlandse handel lijkt die in ieder geval ver te zoeken. En dat komt de kwaliteit van het debat niet ten goede.

Korte lijntjes

Verder schreef ik afgelopen vrijdag al dat ook de korte lijntjes van sommige politici met hulporganisaties een goed debat in de weg staan. Via sociale media had ik zelfs gezien dat één ontwikkelingsorganisatie de dag voor het overleg nog een ‘rondje Kamerleden’ deed in Den Haag. Het was tijdens het debat bij tijd en wijle heel duidelijk welke organisatie bij welke partij lobbyt en waar ingestoken vragen vandaan kwamen.

Natuurlijk, het bedrijfsleven lobbyt ook en misschien nog wel veel effectiever om meer geld uit het ontwikkelingsbudget te krijgen. Maar daar is de lobby gefocust en gaat het niet om deelonderwerpen. NGO’s kunnen uitstekende informatiebronnen voor politici zijn om die ongemakkelijke waarheid van armoede en ongelijkheid te laten zien, maar het lijkt me dan veel verstandiger om gezamenlijk met dat grote verhaal te komen in plaats van ook nog zelfstandig te gaan lobbyen voor je eigen deelonderwerpen.

Gelukkig lijkt er nu met het belangrijke onderwerp van de krimpende ruimte van het maatschappelijk middenveld een overstijgend onderwerp gevonden te zijn, waar ook gehoor voor is bij de meeste politieke partijen. Het zou daarom niet onverstandig zijn als ontwikkelingsorganisaties onderling met elkaar afspreken dat dit het enige onderwerp is waar ze de komende jaren, en bovendien gezamenlijk, voor gaan lobbyen bij de politiek. En laat al het andere ‘klein bier’ en je eigen institutionele belangen gewoon eventjes zitten.

Out of the box denken

Het zou daarnaast goed zijn als de Kamerleden iets meer out of the box gaan denken en zich ook eens door meer originele bronnen zouden laten informeren. Typerend was de hoorzitting ter voorbereiding op het notaoverleg die op 20 juni plaatsvond. Als je naar de samenstelling van de experts kijkt die door de Kamerleden waren uitgenodigd, dan was het op een enkele uitzondering na wel erg voorspelbaar en van de oude stempel. Ik zag er nagenoeg geen vernieuwende mensen en onafhankelijke denkers tussen die de Kamerleden wellicht hadden kunnen inspireren. Op deze manier word je nooit gevoed met nieuwe ideeën. Waarom bijvoorbeeld bij de genodigde wetenschappers weer terugvallen op de oude garde, terwijl we met einddertigers als Bram Büscher (WUR) en Rivke Jaffe (UVA) juist nieuwe baanbrekende hoogleraren op het terrein van ontwikkeling in huis hebben?

Komende woensdag komt de algemene commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingsamenwerking een half uur bij elkaar om een werkbezoek tijdens het zomerreces aan Oeganda en Ethiopië voor te bespreken. Ik heb begrepen dat er al maanden achter de schermen onderhandeld en gediscussieerd wordt over wat de leden van de commissie tijdens dit korte bezoek nu precies wel en niet gaan zien. Mijn advies aan de politici zou zijn: stap af van voorgekookte bezoeken aan projecten en ga vooral praten met jonge mensen over hoe zij hun toekomst zien en wat zij vinden hoe Nederland hen daarin wellicht kan ondersteunen. En ook wat Nederland volgens hen vooral moeten laten en waar we nu ontwikkeling in de weg zitten. Wat hebben jonge ondernemers in Afrika bijvoorbeeld echt nodig? Hoe kijken opiniemakers en studenten aan tegen de toekomst van Afrika? Hoe kun je kwalitatief goede banen creëren?

En vergeet ook niet te praten met lokale maatschappelijke organisaties in beide landen. Hoe denken zij in de toekomst het best geholpen te kunnen worden? Zeker dit laatste punt wordt actueel als minister Kaag zich volgend jaar gaat buigen over een vervolg op het programma ‘Samenspraak en Tegenspraak.’ In haar beleidsnota staat dat de minister nog duidelijker de Afrikaanse, Aziatische en Latijns-Amerikaanse organisaties het eigenaarschap wil gaan geven en dat Nederlandse organisaties een andere rol zullen gaan spelen. Dit roept een aantal interessante vragen op waar de Kamerleden zich nu al in kunnen verdiepen. Want hoe kijken zuidelijke NGO’s hier zelf tegenaan? Zouden ze bijvoorbeeld voortaan niet liever directe financiering van de Nederlandse overheid willen ontvangen in plaats van dat een Nederlandse ontwikkelingsorganisatie nog als tussenschakel fungeert?

Dit oude systeem van indirecte financiering via Nederlandse organisaties stamt nog uit de jaren zestig van de vorige eeuw toen lokale organisaties in het Zuiden weinig capaciteit hadden. Veel van deze lokale organisaties zijn inmiddels door de steun van hun Nederlandse partners uitgegroeid tot professionele NGO’s en lijken prima in staat om ook zelfstandig een partnerschap met de Nederlandse regering aan te gaan. Dit lijkt me een heel relevant en mooi gespreksonderwerp tussen Nederlandse Kamerleden en lokale organisaties.

Johan Cruijff

Het is jammer dat alle betrokkenen op het gebied van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking nu toch met een wat onbevredigend gevoel het zomerreces zullen ingaan. De beleidsnota van de minister heeft niet de aandacht gekregen die het verdient.  Maar zoals de grote Nederlandse filosoof Johan Cruijff al zei: ‘Ieder nadeel heb zijn voordeel.’ Juist omdat een wat katterig gevoel overheerst, zal de motivatie om er na het zomerreces wél iets van te maken wellicht extra groot zijn. Dan zijn de plannen uit de beleidsnota van de minister bovendien concreter uitgewerkt en kan dat goede inhoudelijke debat alsnog plaatsvinden.

 

Marc Broere

Marc Broere is hoofdredacteur van Vice Versa. Daarnaast is hij auteur van een aantal boeken waaronder De Bewogen Beweging -50 jaar mondiale solidariteit (met Hans Beereends), Berichten over Armoede -een journalistieke kijk op ontwikkelingssamenwerking, en Minder Hypes, Meer Hippocrates -een positieve injectie voor de ontwikkelingssector (met Ellen Mangnus).

De strijd om patenten  

Door Manon Stravens | 20 juli 2018

Sinds de schaamteloze rechtszaak van Big Pharma tegen Nelson Mandela in 1998 is veel ten goede veranderd: voor tientallen ontwikkelingslanden zijn generieke en dus veel goedkopere aidsmedicijnen nu voorhanden. Juriste Ellen ’t Hoen riep een ‘patentpool’ in het leven, dat intellectueel eigendom beheert en licenties uitgeeft. Ze vindt dat het mechanisme ook op andere essentiële medicijnen toepasbaar is. ‘Het is een ongelooflijke gemiste kans’, zegt ’t Hoen, ‘als we dat verzuimen.’

Lees artikel

De twee verhalen over aids

Door Joris Tielens | 19 juli 2018

Ruim dertig jaar aidsbestrijding slaagde goeddeels in het bedwingen van de epidemie èn leert ons wat nodig is om de ziekte ten einde te brengen. Maar de wet van de remmende voorsprong geldt: er is veel vooruitgang door behandeling, maar preventie is verwaarloosd. Bovendien dreigt het succesverhaal te vroeg de mondiale financiering te verkleinen, met mogelijk desastreuse gevolgen. Gevraagd: politieke wil.

Lees artikel

Politieke wil nodig om aids schaakmat te zetten

Door Vice Versa | 18 juli 2018

.Ter gelegenheid van de grote internationale aidsconferentie, die volgende week bijna 20.000 mensen uit de hele wereld naar Amsterdam zal brengen, is een speciale uitgave van Vice Versa verschenen. De epidemie is bedwongen, maar er is politieke wil nodig om aids voor eens en altijd schaakmat te zetten.

Lees artikel